VCBA: ‘Wij komen niet op voor de belangen van rijscholen, maar van hun klanten. Jongeren tussen de 16 en 21 jaar!’
Volgens de Vereniging Consumentenbelang Autorijbewijs (VCBA) laten veel rijscholen zich leiden door een cultuur van afhankelijkheid en terughoudendheid die het CBR in de afgelopen decennia heeft laten ontstaan. Het eigen financiële belang weegt daarbij vaak zwaarder dan het belang van de leerling. Uiteindelijk betaalt de jonge consument de prijs voor deze volgzame houding.
“Rijschoolhouders kunnen uitgebreid discussiëren over profieldiepte, extra zijspiegels en slagingspercentages. Tegelijkertijd heeft de branche jarenlang zonder noemenswaardig verzet geaccepteerd dat de reserveringstermijn voor het eerste praktijkexamen structureel met een factor twee tot drie werd overschreden. Bovendien manipuleert een aanzienlijk aantal rijscholen het slagingspercentage bij het CBR en beschouwt dat niet als misleiding, maar als slim ondernemerschap. Wij zijn er niet voor rijscholen, maar voor jongeren tussen de 16 en 21 jaar die financieel worden geraakt door dit opportunistische gedrag en door de misstanden die het CBR daardoor in stand kan houden,” aldus de voorzitter van VCBA.
Na de installatie van het nieuwe kabinet zal VCBA de Tweede Kamer en betrokken bewindspersonen opnieuw benaderen met de resultaten van het onderzoek dat sinds 2023 is uitgevoerd. Volgens de vereniging blijkt daaruit dat het CBR zich op meerdere fronten onrechtmatig gedraagt en jongeren al jarenlang financieel benadeelt.
De belangrijkste speerpunten van de consumentenvereniging zijn:
- Het door het CBR gepubliceerde slagingspercentage zou ondeugdelijk zijn, op grote schaal worden gemanipuleerd en bij het CBR bekend zijn als zodanig.
- Het CBR beschikt over een negatief advies van de landsadvocaat over de eigen rol bij de Rijopleiding in Stappen (RIS), maar ontwikkelt en exploiteert deze opleiding desondanks.
- De rechter heeft vastgesteld dat consumenten op grond van Europese wetgeving recht hebben op dashcamregistratie (binnen en buiten het voertuig) tijdens examenritten, maar het CBR handhaaft volgens VCBA toch een verbod.
- Bij iedere examenrit wordt het gaspedaal van de dubbele bediening ontkoppeld, wat volgens VCBA risico’s oplevert voor examenkandidaten en andere weggebruikers.
- Het CBR zou misbruik maken van de eenmalige machtiging die leerlingen aan hun rijschool afgeven voor het reserveren van examens.
- Jarenlang is de KPI voor het eerste praktijkexamen met een factor twee tot drie overschreden, doordat de Tussentijdse Toets (TTT) niet tijdig ‘on hold’ werd gezet, terwijl deze toets geen wettelijke taak van het CBR is.
“Wij zien onze lobby richting Den Haag als een laatste poging om het toezicht op de divisie Rijvaardigheid van het CBR opnieuw aan te scherpen. In 2018 deed toenmalig minister Van Nieuwenhuizen dat al. Volgens ons zijn de daaropvolgende problemen, organisatorische chaos en onrechtmatigheden uiteindelijk afgewenteld op jongeren. Deze lobby vormt voor ons de opmaat naar een mogelijke vervolgstap: een massaclaim, omdat jongeren naar onze berekeningen voor meer dan een kwart miljard euro financieel zijn benadeeld. Honderdduizenden jongeren moesten in 2022, 2023 en 2024 extra rijlessen inkopen om de structurele verdubbeling of verdrievoudiging van de reserveringstermijnen te overbruggen. En wat blijkt nu? Nadat de Tweede Kamer meerdere moties aannam die het CBR tot maatregelen verplichtten, presteert het CBR binnen een half jaar onder de gestelde KPI met wachttijden van vier tot vijf weken in plaats van een half jaar.” aldus VCBA.
Waarom is de KPI belangrijk bij een massaclaim tegen de overheid/CBR?
Verantwoordelijkheid: Het CBR hanteert KPI’s die zijn afgesproken met het ministerie van IenW, met als doel de wachttijden voor het praktijkexamen (met name het B-examen) binnen aanvaardbare grenzen te houden.
Doelstelling: Het streven is veelal gericht op een gemiddelde reserveringstermijn van rond de 7 weken (of in rustigere tijden 4-6 weken), maar door bestuurlijk falen van de CBR directie en het Directoraat Generaal Mobiliteit lagen de werkelijke termijnen vaak hoger: tot wel 24 weken.
Methodiek: De methodiek om deze termijn te berekenen, die aangeeft wanneer er weer voldoende capaciteit is (minimaal 5% beschikbaarheid over een langere periode), wordt door het CBR pas na aangenomen moties in de Tweede Kamer sinds het voorjaar van 2025 gepubliceerd.
Kortom, het CBR voert de regie op de dagelijkse planning, maar het Ministerie van IenW bepaalt in feite de kaders en KPI’s en is verantwoordelijk voor het toezicht op het CBR.
