
Het politieke debat over de informatievoorziening aan de Tweede Kamer kreeg onlangs een opvallende wending. Minister van Justitie en Veiligheid David van Weel (VVD) moest zich verantwoorden nadat de Algemene Rekenkamer concludeerde dat hij de Kamer op het verkeerde been had gezet over circa 10.000 onbehandelde aangiften en meldingen van ernstige misdrijven. Van Weel bood uiteindelijk excuses aan en erkende dat Kamerleden zich door zijn eerdere informatie op het verkeerde been gezet hadden gevoeld.
De kwestie roept de vraag op hoe vaak ministers informatie van uitvoeringsorganisaties en ambtenaren voldoende kritisch controleren voordat zij deze aan het parlement presenteren.
Volgens de Vereniging Consumentenbelang Autorijbewijs (VCBA) speelt een vergelijkbare kwestie rond minister van Infrastructuur en Waterstaat Vincent Karremans (VVD). In juni presenteerde Karremans plannen voor ingrijpende veranderingen in de rijopleiding, waaronder een verplichte tussentijdse toets. Als onderbouwing verwees hij onder meer naar cijfers over slagingspercentages van rijscholen.
De VCBA stelt echter dat zij de voorganger van Karremans al op 8 september 2023 schriftelijk heeft gewaarschuwd dat het door het CBR gepubliceerde slagingspercentage volgens haar eenvoudig beïnvloedbaar is. De organisatie stelt bovendien dat zowel bij het CBR ingeschreven rijscholen als het CBR zelf invloed kunnen hebben op de cijfers.
Daarmee ontstaat volgens de consumentenorganisatie een principiële vraag: kan wetgeving die de rijschoolbranche meer regels en verplichtingen oplegt, worden gebaseerd op cijfers waarvan de betrouwbaarheid onderwerp van discussie is?
Het verschil met de zaak-Van Weel is dat in het geval van Karremans vooralsnog geen oordeel van de Algemene Rekenkamer ligt. De kritiek komt vanuit belangenorganisaties en wordt door hen onderbouwd met eerder ingediende brieven en onderzoeken.
Consumentenbelang Autorijbewijs zegt daarom opnieuw meerdere Tweede Kamerleden en de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat te zullen informeren. De inzet is duidelijk: voordat nieuwe regelgeving wordt ingevoerd, moet volgens de organisatie eerst worden vastgesteld of de cijfers waarop die regelgeving mede is gebaseerd, daadwerkelijk betrouwbaar zijn.
