Gerechtshof moet beslissen over vervolging CBR-directie wegens laster na examenrit Jens van Rijn in 2023!

Politie en Openbaar Ministerie Oost-Nederland frustreerden jarenlang aangiftes van Kamps

Leestijd: 5 minuten

Het gerechtshof moet zich binnenkort buigen over de vraag of het Openbaar Ministerie onderzoek moet doen naar mogelijke strafbare feiten binnen de top van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). Voormalig rijschoolhouder en klokkenluider Henrie Kamps probeert via een artikel 12 Sv-procedure strafvervolging van de CBR-directie af te dwingen. Volgens Kamps liggen er inmiddels vier aangiftes wegens ernstige vermeende ambtsmisdrijven, waaronder machtsmisbruik en meineed.

De procedure vormt een nieuw hoofdstuk in het inmiddels jarenlange conflict tussen Kamps en het CBR. De kiem daarvan ligt volgens openbare berichtgeving in 2021, toen Kamps als rijschoolhouder kritiek uitte op de werkwijze van het CBR. In december van dat jaar werd hij door het CBR uitgeschreven als rijschoolhouder. Kamps stelde destijds dat hij vanwege zijn kritiek op het CBR en de meldingen van intimidaties door algemeen directeur P. was aangepakt.

Eerste aangiftes dateren uit december 2021

Een artikel 12 Sv-procedure biedt een rechtstreeks belanghebbende de mogelijkheid om bij het gerechtshof te klagen over een beslissing van het Openbaar Ministerie om een zaak niet te vervolgen. Het hof kan vervolgens beoordelen of alsnog vervolging moet plaatsvinden. Kamps stelt dat hij kan aantonen dat zowel de politie Oost-Nederland als het Openbaar Ministerie Oost-Nederland zijn aangiftes jarenlang hebben genegeerd en tegengewerkt door geen onderzoek te doen vanwege de bemoeienis van voormalig D66 partijleider P.

Kamps zegt dat hij op 13 december 2021 voor het eerst aangifte deed wegens vermeende ambtsmisdrijven tegen toenmalig CBR-directeur P. en een medewerker van het bureau. Sindsdien is de juridische strijd verder geëscaleerd.

Volgens Kamps gaat het inmiddels niet meer uitsluitend om zijn eigen positie als voormalig rijschoolhouder. Hij stelt dat er aanwijzingen zijn dat binnen het CBR besluiten zijn genomen en verklaringen zijn afgelegd die strafrechtelijk onderzocht zouden moeten worden.

Jens van Rijn opnieuw centraal

Een belangrijk onderdeel van de huidige procedure zijn de gebeurtenissen rond 5 oktober 2023 en examenkandidaat Jens van Rijn. Het CBR besloot die dag de rijexamens in Enschede stil te leggen. Het examencentrum werd drie dagen gesloten en honderden praktijkexamens werden geannuleerd. Dat leidde tot doodsbedreigingen aan het adres van Kamps. Volgens het CBR was sprake van veiligheidsproblemen en intimiderende of dreigende acties rond examenauto’s. Toenmalig CBR directeur P. zei tegenover regionale media dat het CBR tot de maatregel had besloten om de veiligheid van kandidaten, opleiders en medewerkers te waarborgen.

Van Rijn, die destijds 17 jaar oud was, vertelde in de media over zijn ervaringen tijdens zijn rijexamen. De zaak kreeg daardoor grote regionale en zelfs landelijke aandacht.

Kamps bestrijdt echter de wijze waarop de gebeurtenissen vervolgens door het CBR en in de media zijn weergegeven. Volgens hem is er een wezenlijk verschil tussen wat Van Rijn destijds in de media heeft verteld en wat uit de beschikbare beelden van de examenrit zou blijken. “Van Rijn verklaarde dat ik bij de bijzondere verrichting ‘bochtje achteruit’ op zijn achterbumper zat om hem te pesten. De beelden tonen aan dat Jens van Rijn instructies krijgt van de examinator om ‘mij bewust op te zoeken’ en dat de werkelijke afstand veel groter was dan Van Rijn beweerd’ aldus Kamps.

Dat verschil moet volgens Kamps onderdeel worden van een strafrechtelijk onderzoek.

“De algemeen directeur van het CBR deed destijds lasterlijke uitspraken via kranten en tv. Dat zal hij niet gedaan hebben op basis van de uitspraken van een teleurgestelde 17-jarige examenkandidaat., maar op basis van de melding van de examinator. Maar de video liegt niet. Dus de CBR directeur liegt bewust of zijn examinator heeft hem voorgelogen. Meer opties zijn er niet!” zegt Kamps.

Volgens Kamps moet vooral worden vastgesteld wat de rechtstreeks betrokken getuigen destijds daadwerkelijk hebben verklaard. Daarbij wijst hij op de toenmalige examinator en de rijinstructeur van Van Rijn. Eerder stopte de politie Oost-Nederland omdat er geen getuigen waren geweest. Onlangs stuurde het Openbaar Ministerie Kamps een brief, waarin de Officier van Justitie het besluit van de politie volgt. (download onderaan dit artikel)

“Ik wil dat het OM onderzoek doet naar wat de getuigen destijds hebben verklaard. Dat was een examinator en de instructeur van Jens van Rijn, want de beelden van de examenrit laten een volstrekt ander beeld zien dan wat Jens van Rijn verklaarde via RTV Oost. Ook is er een mail van de persvoorlichtster van het CBR waarin deze verklaard dat er eerder die ochtend geen gevaarlijke situatie is geweest bij het CBR.”

Niet alleen Van Rijn, maar ook de CBR-directie

De inzet van de artikel 12-procedure is volgens Kamps nadrukkelijk niet alleen de vraag of Van Rijn destijds een onjuiste verklaring heeft afgelegd. Hij wil dat wordt onderzocht welke rol de CBR-directie vervolgens heeft gespeeld.

Daarmee komt de zaak op een principiëler punt terecht: hoe heeft een overheidsorganisatie gehandeld nadat een jonge examenkandidaat zich in de media had uitgelaten over een incident?

Volgens Kamps is Van Rijn destijds door het CBR gebruikt om vergaande maatregelen te rechtvaardigen en ontstond vervolgens een publieke campagne waarin hijzelf als veroorzaker van de problemen werd neergezet. Het CBR stelde destijds dat de veiligheid van kandidaten en medewerkers in gevaar kwam en dat de examens daarom tijdelijk moesten worden stilgelegd.

Kamps stelt daar tegenover dat recent beschikbaar bewijsmateriaal een ander beeld zou geven. Hij wil dat politie en justitie niet alleen kijken naar de mediaverklaringen, maar de oorspronkelijke verklaringen van de betrokkenen, de examenbeelden en de besluitvorming binnen het CBR naast elkaar leggen.

Vier aangiftes

Volgens Kamps zijn er inmiddels vier aangiftes die betrekking hebben op vermeende strafbare gedragingen binnen of rond de CBR-top. Hij noemt daarbij onder meer machtsmisbruik en meineed. De aangiftes moeten volgens hem niet los van elkaar worden gezien, maar als onderdelen van een groter dossier over de wijze waarop het CBR met kritische medewerkers, rijschoolhouders en burgers is omgegaan.

De beschuldigingen zijn ernstig. Een aangifte betekent echter niet dat een strafbaar feit is vastgesteld. Het is uiteindelijk aan politie, Openbaar Ministerie en – wanneer een artikel 12-procedure wordt gevoerd – het gerechtshof om te beoordelen of er voldoende aanleiding bestaat voor nader strafrechtelijk onderzoek en vervolging.

Van conflict naar onafhankelijke toets

De zaak krijgt daarmee een nieuwe dimensie. Jarenlang stonden vooral de acties van Kamps centraal. Hij werd door het CBR en verschillende media neergezet als iemand die rijexamens verstoorde en examenkandidaten hinderde. Het CBR stelde onder meer dat examens voortijdig moesten worden afgebroken en besloot in oktober 2023 tijdelijk geen examens meer af te nemen in Enschede.

Kamps wil nu dat ook de andere kant van het conflict strafrechtelijk wordt onderzocht.

Zijn vraag aan het gerechtshof is in essentie eenvoudig: is er voldoende aanleiding om het handelen van de CBR-directie door politie en justitie te laten onderzoeken?

Daarbij staat volgens hem één element centraal: niet langer alleen de vraag wat hij heeft gedaan, maar wat bestuurders van het CBR zelf hebben gedaan, welke informatie zij daarbij tot hun beschikking hadden en of verklaringen en besluiten achteraf controleerbaar blijken.

Het gerechtshof kan daarmee een belangrijke rol krijgen in een conflict dat inmiddels bijna vijf jaar duurt. Als het hof de klacht gegrond verklaart, kan dat ertoe leiden dat het Openbaar Ministerie alsnog onderzoek moet doen naar de door Kamps gestelde strafbare feiten. Daarmee zou voor het eerst onafhankelijk strafrechtelijk moeten worden vastgesteld of de door hem aangevoerde aanwijzingen daadwerkelijk aanleiding geven tot vervolging.

Voor Kamps gaat het dan ook niet uitsluitend om eerherstel. Hij wil dat de oorspronkelijke verklaringen van de betrokken examinator en instructeur boven tafel komen en dat de gebeurtenissen van 5 oktober 2023 opnieuw worden onderzocht aan de hand van het beschikbare bewijsmateriaal.

De vraag die uiteindelijk op tafel ligt, is daarmee niet alleen wat er tijdens het bewuste rijexamen is gebeurd, maar ook hoe de CBR-directie vervolgens tot haar conclusies kwam en of die conclusies op controleerbare feiten waren gebaseerd.

Downloaden