![]()
Voormalig rijschoolhouder Kris Kalloe heeft de Nationale Ombudsman en de Tweede Kamer ingeschakeld naar aanleiding van een schriftelijke reactie van CBR-directrice Nanouke van ’t Riet. Ook het Verbond van Verzekeraars is door de voormalig eigenaar van de Haagse rijschool CityLine op de hoogte gebracht van de opmerkelijke reactie van Van ’t Riet. Volgens Kalloe blijkt uit die reactie dat het CBR rijschoolhouders verplicht om voorafgaand aan een praktijkexamen zelf het gaspedaal van de dubbele bediening onklaar te maken. Hij spreekt van een potentieel gevaarlijke situatie die volgens hem dringend politiek en onafhankelijk onderzoek vereist. Ook heeft die actie grote gevolgen voor de aansprakelijkheidsverzekering van rijschoolhouders.
De kwestie draait om de handelwijze van CBR-examinatoren voorafgaand aan praktijkexamens. Kalloe heeft de CBR-directie eerder gevraagd om in te grijpen tegen het onklaar maken van de dubbele bediening in lesauto’s. In het bijzonder waarschuwde hij voor situaties waarin het gaspedaal aan de zijde van de rijinstructeur niet meer kan worden gebruikt.
In een schriftelijke reactie heeft algemeen directeur Nanouke van ’t Riet volgens Kalloe bevestigd dat deze werkwijze binnen het CBR wordt toegepast. Daarmee is volgens de voormalig rijschoolhouder een fundamentele vraag ontstaan: kan het CBR van een rijschoolhouder verlangen dat een veiligheidsvoorziening in een lesauto vóór een examen buiten werking wordt gesteld?
Veiligheidsvoorziening
De dubbele bediening is juist bedoeld om de juridisch bestuurder (de instructeur of examinator) in staat te stellen in te grijpen wanneer een gevaarlijke situatie ontstaat. Het gaspedaal aan de passagierszijde maakt daarvan onderdeel uit. Wanneer die bediening wordt uitgeschakeld, kan de instructeur of examinator vanuit zijn positie niet langer op dezelfde wijze ingrijpen. Eerder leidde dat al tot (bijna) rampzalige treinongelukken, nadat examenauto’s stilvielen om spoorwegovergangen tijdens examenritten.
Kalloe vindt het daarom onbegrijpelijk dat het CBR deze handelwijze voorschrijft of verlangt. Volgens hem wordt daarmee een verantwoordelijkheid bij rijschoolhouders gelegd terwijl het CBR zelf bepaalt onder welke omstandigheden het praktijkexamen wordt afgenomen.
De vraag is volgens Kalloe bovendien wat er gebeurt wanneer tijdens een examen een onverwachte situatie ontstaat. Een auto kan bijvoorbeeld op een kruising, spoorwegovergang of andere gevaarlijke plaats tot stilstand komen. Wanneer de dubbele bediening onklaar is gemaakt, zijn de mogelijkheden van de examinator om direct in te grijpen beperkt.
‘CBR kan niet tegelijkertijd veiligheid prediken en veiligheidsvoorzieningen uitschakelen’
Kalloe heeft de kwestie daarom niet langer uitsluitend bij het CBR zelf neergelegd. Hij heeft de Nationale Ombudsman en de Tweede Kamer benaderd met het verzoek om naar de handelwijze te kijken.
Volgens hem gaat het niet om een technisch detail, maar om de vraag waar de verantwoordelijkheid ligt voor de veiligheid tijdens een praktijkexamen.
„Het CBR kan niet enerzijds voortdurend benadrukken dat verkeersveiligheid vooropstaat en anderzijds van rijschoolhouders verlangen dat een veiligheidsvoorziening in het examenvoertuig wordt uitgeschakeld,” stelt Kalloe.

Hij wil dat onafhankelijk wordt vastgesteld op grond van welke wettelijke bevoegdheid het CBR deze instructie geeft. Ook wil hij duidelijkheid over de vraag wie aansprakelijk is wanneer het onklaar maken van de dubbele bediening tijdens een examen tot een gevaarlijke situatie of schade leidt.
Politieke verantwoordelijkheid
De kwestie krijgt volgens Kalloe extra gewicht omdat het CBR een publieke taak uitvoert en praktijkexamens afneemt die grote gevolgen hebben voor leerlingen, rijscholen en rijinstructeurs. Een rijschoolhouder die een examenauto ter beschikking stelt, moet er volgens hem op kunnen vertrouwen dat het voertuig tijdens het examen veilig kan worden gebruikt.
De voormalig rijschoolhouder vindt bovendien dat de Tweede Kamer moet onderzoeken of het CBR zich met deze werkwijze niet buiten zijn wettelijke bevoegdheden begeeft.
Daarmee wordt de discussie breder dan alleen de dubbele bediening. De fundamentele vraag is volgens Kalloe hoe ver de bevoegdheid van het CBR reikt om voorschriften op te leggen aan particuliere rijschoolhouders en hun voertuigen.
Reactie van nieuwe CBR-directie krijgt vervolg
Kalloe richtte zijn eerdere verzoek rechtstreeks aan Nanouke van ’t Riet, die sinds april 2026 algemeen directeur van het CBR is. Hij hoopte dat de nieuwe directie aanleiding zou zien om de werkwijze opnieuw tegen het licht te houden.
De schriftelijke reactie heeft volgens hem juist tot nieuwe vragen geleid. In plaats van een verbod op het onklaar maken van de dubbele bediening, ziet hij in de reactie een bevestiging dat het CBR deze werkwijze daadwerkelijk van rijschoolhouders verlangt.
“Het CBR eist dat rijschoolhouders het gaspedaal op de dubbele bediening onklaar maakt, doen ze dat niet dan weigert de examinator het praktijkexamen af te nemen. Ik vermoed dat het CBR deze werkwijze volgt, zodat bij een schadeclaim – Kalloe draaide in het verleden op voor een schadeclaim van de NS van maar liefst vijf miljoen euro terwijl de CBR examinatrice schuldig werd bevonden volgens het procesverbaal van de politie – de verantwoordelijkheid bij de rijschoolhouder wordt gelegd. Hij heeft immers het gaspedaal op de dubbele bediening zelf onklaar gemaakt. Ik wil weten van de Nationale Ombudsman, van de Tweede Kamer en van het verbond van verzekeraars hoe zij hier tegen aan kijken” aldus Kalloe.
Daarom kiest Kalloe nu voor een andere route. Hij vraagt de Nationale Ombudsman om de handelwijze van het CBR te beoordelen en heeft de Tweede Kamer gevraagd zich over de kwestie te buigen.
Voor Kalloe staat daarbij één vraag centraal: wie draagt de verantwoordelijkheid als een CBR-examenauto tijdens een praktijkexamen in een gevaarlijke situatie terechtkomt terwijl de dubbele bediening vooraf op aanwijzing van het CBR gedeeltelijk onklaar is gemaakt?
Zolang daarop volgens hem geen helder en juridisch onderbouwd antwoord bestaat, vindt Kalloe dat het CBR met deze werkwijze moet stoppen.






