Het CBR heeft jarenlang WRM-praktijkbijscholing uitgevoerd voor eigen medewerkers en voor RIS-gecertificeerde rijinstructeurs. Volgens journalisten wist de CBR-directie al geruime tijd dat voor activiteiten op het terrein van de rijopleiding een wettelijke grondslag ontbrak. Een advies van de landsadvocaat zou die juridische twijfel bovendien expliciet hebben bevestigd. Toch duurde het tot 1 januari 2026 voordat het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een einde maakte aan deze praktijk.
dit artikel is geschreven met behulp van kunstmatige intelligentie (AI)
Het is een kwestie die op het eerste gezicht technisch lijkt: wie mag een rijinstructeur bijscholen? Maar achter deze vraag ligt een veel fundamentelere kwestie. Kan een bestuursorgaan een taak uitvoeren waarvoor het volgens zijn eigen juridische advisering geen wettelijke bevoegdheid heeft?
In het geval van het CBR lijkt die vraag zich jarenlang te hebben voorgedaan.
De opmerkelijke dubbelrol van het CBR
De wettelijke positie van het CBR is in de kern duidelijk: de organisatie heeft een publieke taak bij de beoordeling van de rijvaardigheid en de afgifte van rijbewijzen. De rijopleiding zelf behoort tot een ander domein.
Toch begaf het CBR zich jarenlang ook op het terrein van de rijopleiding.
Een concreet voorbeeld is de vijfjaarlijkse praktijkbijscholing die voortvloeit uit de Wet rijonderricht motorrijtuigen, de WRM. Deze bijscholing is bedoeld voor rijinstructeurs die hun bevoegdheid willen behouden.
Het CBR verzorgde deze praktijkbijscholing onder meer voor eigen medewerkers. Het ging daarbij vooral om examinatoren die hun WRM-bevoegdheid wilden behouden omdat zij de mogelijkheid open wilden houden om op enig moment weer rijles te geven.
Daarbij deed zich een opmerkelijke situatie voor.
De organisatie die de rijexamens afneemt, organiseerde tegelijkertijd de praktijkbijscholing van haar eigen medewerkers die bevoegd waren om rijles te geven.
En in die praktijk was degene die naast de examinator-instructeur zat niet noodzakelijk een echte leerling. Volgens betrokkenen kon dat een CBR-collega zijn die de rol van leerling vervulde.
De vraag is dan onvermijdelijk: welke rijopleiding wordt in zo’n situatie feitelijk beoordeeld en welke betekenis heeft een dergelijke praktijkrit voor een bijscholing die juist bedoeld is om de professionele rijinstructeursvaardigheid te onderhouden?
Het gaat niet alleen om de uitvoering
Het belangrijkste punt is echter niet de vraag of een CBR-collega een goede „leerling” kon spelen.
De fundamentele vraag is: op grond van welke wettelijke bevoegdheid deed het CBR dit überhaupt?
Volgens journalisten was de CBR-directie al jarenlang op de hoogte van juridische bezwaren tegen het optreden van het CBR op het terrein van de rijopleiding. Een advies van de landsadvocaat zou daarbij een belangrijke rol hebben gespeeld.
Als uit dat advies inderdaad bleek dat het CBR voor bepaalde activiteiten geen wettelijke grondslag had, ontstaat een aanzienlijk ernstiger beeld.
Dan gaat het immers niet meer om een organisatie die per ongeluk een regel verkeerd interpreteert. Dan gaat het om de vraag of de leiding van een publiekrechtelijke organisatie bewust een activiteit heeft voortgezet nadat intern juridische twijfels waren vastgesteld.
Dat verdient onafhankelijk onderzoek.
De rol van de landsadvocaat
Het advies van de landsadvocaat vormt daarom een cruciaal document in deze kwestie.

Wanneer is het advies gevraagd?
Wie heeft de landsadvocaat precies om advies gevraagd?
Welke activiteiten van het CBR waren onderwerp van het advies?
Welke conclusies werden getrokken over de wettelijke bevoegdheid van het CBR?
En vooral: wat heeft de CBR-directie vervolgens met die conclusies gedaan?
Wanneer een juridisch advies negatief uitvalt, is het voor een bestuursorgaan niet voldoende om het document vervolgens in een la te leggen. Zeker niet wanneer het gaat om activiteiten die structureel worden uitgevoerd en waarbij burgers, rijinstructeurs en CBR-medewerkers betrokken zijn.
Daarom is de vraag gerechtvaardigd of de volledige bestuurlijke besluitvorming rond deze kwestie openbaar moet worden gemaakt.
Een merkwaardige positie voor CBR-medewerkers
De constructie rond de eigen medewerkers maakt de kwestie extra opmerkelijk.
Een CBR-examinator heeft primair een publieke taak: het beoordelen van de rijvaardigheid van kandidaten. Tegelijkertijd kon dezelfde medewerker zijn WRM-bevoegdheid behouden door een praktijkbijscholing te volgen die door zijn eigen werkgever werd georganiseerd.
Dat roept vragen op over onafhankelijkheid en rolzuiverheid.
Een examinator hoeft natuurlijk niet automatisch zijn WRM-bevoegdheid te gebruiken. Maar wanneer een publieke organisatie enerzijds examinatoren inzet en anderzijds zelf opleidingen en bijscholing organiseert op het terrein waarop die medewerkers mogelijk als rijinstructeur werkzaam kunnen zijn, ontstaat een institutionele dubbelrol die zorgvuldig moet worden gemotiveerd.
Daarbij komt dat een CBR-collega volgens betrokkenen de plaats van een leerling kon innemen.
Voor een gewone rijinstructeur zou een dergelijke situatie moeilijk voorstelbaar zijn. De vraag is dan waarom voor medewerkers van het CBR een andere praktijk zou hebben gegolden.
En toen kwam 1 januari 2026
Op 1 januari 2026 veranderde de situatie. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat maakte een einde aan de mogelijkheid voor het CBR om deze praktijk op dezelfde wijze voort te zetten.
Dat roept een eenvoudige maar belangrijke vraag op:
Waarom nu pas?
Als de juridische bezwaren al jarenlang bekend waren, waarom heeft het ministerie dan niet eerder ingegrepen?
En als het CBR wél over de benodigde bevoegdheid beschikte, waarom was ingrijpen dan noodzakelijk?
Beide scenario’s verdienen uitleg.
De beëindiging per 1 januari 2026 kan immers niet tegelijkertijd worden gebruikt als bewijs dat de eerdere praktijk rechtmatig was én als bewijs dat het CBR daarvoor geen bevoegdheid had. Daarvoor is duidelijkheid nodig over de juridische grondslag en de besluitvorming.
De verantwoordelijkheid van het ministerie
Daarmee verschuift de aandacht van het CBR naar het ministerie.
Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is uiteindelijk verantwoordelijk voor het wettelijke kader waarbinnen het CBR opereert. Wanneer een uitvoeringsorganisatie jarenlang activiteiten verricht op een terrein waarvoor volgens juridische advisering mogelijk geen bevoegdheid bestaat, kan de verantwoordelijke beleidsdirectie niet volstaan met de constatering dat de praktijk uiteindelijk is beëindigd.
Er moet worden vastgesteld:
- wanneer het ministerie van de juridische bezwaren op de hoogte was;
- welke ambtenaren en leidinggevenden daarvan kennis hadden;
- welke informatie daarover met de politieke leiding is gedeeld;
- waarom niet eerder is ingegrepen;
- en of de Tweede Kamer hierover volledig en juist is geïnformeerd.
Juist dat laatste is essentieel. De Kamer moet erop kunnen vertrouwen dat informatie over de wettelijke grenzen van een zelfstandig bestuursorgaan niet wordt achtergehouden wanneer die informatie relevant is voor het parlementaire toezicht.
De bredere betekenis voor de rijschoolbranche
De kwestie staat bovendien niet op zichzelf.
Het CBR heeft de afgelopen jaren steeds meer invloed gekregen op de inrichting en ontwikkeling van het Nederlandse rijopleidingsstelsel. Methodieken, kwaliteitsinstrumenten, slagingspercentages, examinering en ontwikkelingen rond de toekomstige rijopleiding raken elkaar steeds vaker.
Daarom is een heldere scheiding tussen examinering en opleiding van groot belang.
Een organisatie die bevoegd is om kandidaten te examineren, moet niet zonder duidelijke wettelijke grondslag ook taken naar zich toe kunnen trekken die behoren tot de rijopleiding of de bijscholing van rijinstructeurs.
Dat is geen theoretische discussie. Het gaat om de rechtspositie van duizenden rijinstructeurs en om de vraag wie bepaalt hoe Nederlanders worden opgeleid voor hun rijbewijs.
De vijf vragen die nu beantwoord moeten worden
Een onafhankelijk onderzoek zou daarom ten minste antwoord moeten geven op vijf vragen.
1. Welke wettelijke grondslag gebruikte het CBR voor het uitvoeren van de WRM-praktijkbijscholing?
2. Wat schreef de landsadvocaat precies over de bevoegdheid van het CBR op het terrein van de rijopleiding?
3. Wanneer wist de CBR-directie van dit advies en welke besluiten zijn daarna genomen?
4. Wanneer werd het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat hierover geïnformeerd en waarom werd niet eerder ingegrepen?
5. Is de Tweede Kamer gedurende deze periode volledig geïnformeerd over de juridische bezwaren en de feitelijke werkwijze van het CBR?
Dat zijn geen vragen die met een verwijzing naar een interne procedure kunnen worden afgedaan.
Van bijscholing naar bestuursrechtelijke verantwoordelijkheid
De WRM-bijscholing is uiteindelijk slechts het zichtbare onderdeel van een veel grotere kwestie.
Wanneer een publieke organisatie jarenlang taken uitvoert buiten haar wettelijke mandaat, gaat het niet uitsluitend over de vraag of die ene activiteit correct werd uitgevoerd. Dan gaat het over de grenzen van overheidshandelen.
Als de CBR-directie inderdaad al jarenlang wist dat een wettelijke bevoegdheid ontbrak en desondanks doorging, moet worden vastgesteld wie daarvoor bestuurlijk verantwoordelijk was.
Als het ministerie daarvan wist en niet ingreep, geldt dezelfde vraag voor de verantwoordelijke ambtenaren en bewindspersonen.
En als de Tweede Kamer hierover niet volledig werd geïnformeerd, ontstaat bovendien een parlementaire dimensie.
Daarom verdient deze kwestie een onafhankelijk onderzoek. Niet om achteraf een administratieve fout vast te stellen, maar om duidelijk te krijgen hoe een publieke organisatie jarenlang op het terrein van de rijopleiding kon opereren terwijl er binnen diezelfde organisatie juridische aanwijzingen zouden hebben bestaan dat daarvoor geen wettelijke bevoegdheid bestond.
Want uiteindelijk is de kernvraag eenvoudig:
Wie bewaakt de grenzen van het CBR wanneer het CBR zelf die grenzen overschrijdt?
