Nu recentelijk het vijf jaar durende onderzoek van de Vereniging Consumentenbelang Autorijbewijs (VCBA) naar misleidingen, misstanden en misbruik van de macht door het CBR is afgerond richt de belangenorganisatie zich op de informatievoorziening richting de Tweede Kamer. Documenten die op grond van de Wet open overheid openbaar zijn geworden moeten volgens VCBA er toe leiden dat de Tweede Kamer opnieuw kritische vragen gaat stellen aan de minister over de rol van het CBR in het toekomstige Nationaal Leerplan Rijopleiding, het misleidende CBR slagingspercentage en de Rijopleiding In Stappen. Ook wil VCBA duidelijkheid over de oprichting van het CCA; een van de belangrijkste aanbevelingen uit het rapport van Emile Roemer.
Topambtenaren van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zijn volgens informatie die herhaaldelijk onder de aandacht van het ministerie is gebracht al jarenlang bekend met de fundamentele vraag of rijlessen en een rijopleiding daadwerkelijk aantoonbaar bijdragen aan een verbetering van de verkeersveiligheid. Desondanks wordt de rijschoolbranche opnieuw geconfronteerd met plannen voor ingrijpende veranderingen, waaronder de wettelijke invoering van het Nationaal Leerplan Rijopleiding.
Daarbij is het opmerkelijk dat het ministerie niet alleen bekend is met de discussie over de relatie tussen rijopleiding en verkeersveiligheid, maar ook meerdere malen is geïnformeerd over de onbetrouwbaarheid en het misleidende karakter van het door het CBR gepubliceerde slagingspercentage. Daarin heeft de voormalig algemeen directeur van het CBR volgens VCBA een zeer kwalijke rol gespeeld door bewust verkeerde data aan te leveren over tal van zaken; data die vervolgens door de minister zijn doorgestuurd naar de Tweede Kamer.
Het CBR slagingspercentage wordt vaak gepresenteerd als een belangrijke indicator voor de kwaliteit van rijscholen en rijopleidingen. Critici wijzen er echter al jaren op dat dit percentage geen zuivere vergelijking mogelijk maakt. De wijze waarop examenresultaten worden geregistreerd en toegerekend, kan volgens hen een zeer vertekend beeld geven van de daadwerkelijke kwaliteit van een rijschool of instructeur. Ook is bekend dat het CBR slagingspercentage eenvoudig gemanipuleerd kan worden. Het CBR weet dat, maar weigert in te grijpen en werkt er zelfs aan mee door partnerships aan te gaan met zogenaamde Rijschool Administratie Kantoren (RAK’s); daar kunnen praktijkexamens worden gekocht die niet mee worden gewogen in het CBR slagingspercentage.
Juist daarom rijst de vraag op welke objectieve en betrouwbare gegevens de overheid de vergaande hervorming van de rijopleiding baseert. Wanneer het CBR-slagingspercentage feitelijk geen deugdelijke graadmeter is voor de kwaliteit van rijonderwijs, kan dit cijfer evenmin zonder meer dienen als fundament voor maatregelen die de leerlingen – veelal jongeren – van duizenden rijscholen en bijna 12.000 rijinstructeurs rechtstreeks raken.
VCBA vreest dat door wettelijke invoering van het Nationaal Leerplan Rijopleiding en de toenemende invloed van het CBR – door de onwettige Rijopleiding In Stappen te integreren – het rijbewijs voor de helft van de jongeren tussen de 16 en 21 jaar in 2030 financieel niet meer haalbaar is. Dat het CBR, ondanks een negatief advies van landsadvocaat Pels Rijcken dat het CBR wettelijk geen taak heeft ten aanzien van het ontwikkelen en exploiteren van een eigen rijopleiding, toch een monopoliepositie zal verkrijgen met een door haar – ondanks het negatieve advies – ontwikkelde rijopleiding is volgens VCBA ongrondwettelijk omdat het parlement bewust nooit geïnformeerd is. Ook dat is al meermaals onder de aandacht gebracht van het Directoraat Generaal Mobiliteit en opvolgende ministers.

De kern van de kritiek is dan ook dat het ministerie eerst helder moet aantonen welk aantoonbaar probleem wordt opgelost, welk wetenschappelijk bewijs bestaat voor de veronderstelde effecten op de verkeersveiligheid en op welke betrouwbare gegevens de noodzaak van een wettelijke stelselwijziging is gebaseerd.
Zonder die onderbouwing dreigt een situatie waarin de rijschoolwereld wordt geconfronteerd met hoge kosten, verplichte aanpassingen en mogelijk ingrijpende gevolgen voor de werkgelegenheid, terwijl de fundamentele vraag onbeantwoord blijft: welk bewijs rechtvaardigt deze ingreep eigenlijk en wat zijn de gevolgen voor jongeren tussen de 16 en 21 jaar?
