COLUMN | Het CBR is geen onderdeel van de wetgevende macht en lapt de wet met grote regelmaat aan haar laars!

Leestijd: 5 minuten

door: Henrie Kamps, publicist

Henrie Kamps is voormalig rijschoolhouder en deed onderzoek naar misstanden binnen het CBR. Jarenlang werd hij net als eerdere klokkenluiders door het CBR geïntimideerd en gecriminaliseerd. Vanaf 1 juli 2026 is hij voorzitter van de Vereniging Consumentenbelang Autorijbewijs (VCBA). 

Er bestaat in Nederland een eenvoudig uitgangspunt: wie overheidsgezag uitoefent, moet zich aan de wet houden. Het klinkt bijna te vanzelfsprekend om op te schrijven. Toch wordt juist dat uitgangspunt interessant wanneer we kijken naar het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. Het CBR is geen wetgever. Het is geen Tweede Kamer, geen Eerste Kamer en geen regering. Het is een zelfstandig bestuursorgaan dat overheidstaken uitvoert. De wet bepaalt welke taken het CBR heeft. De Wegenverkeerswet noemt onder meer het beoordelen van de rijvaardigheid en de lichamelijke en geestelijke geschiktheid. Bovendien bepaalt de wet dat het CBR bij de uitvoering van zijn taken de daarvoor aangewezen regelgeving en richtlijnen in acht moet nemen. (Wetten Overheid)

En daar begint het probleem.

Want wie de ontwikkeling van het CBR door de jaren heen bekijkt, kan zich afvragen of het exameninstituut zich niet steeds verder buiten zijn wettelijke opdracht heeft begeven. Niet doordat het parlement de wet heeft veranderd, maar doordat het CBR zelf steeds meer regels, systemen, voorwaarden en praktijken is gaan ontwikkelen die diep ingrijpen in de rijschoolbranche.

Een uitvoeringsorganisatie die zich gedraagt alsof zij zelf de wetgever is.

Dat is een principieel probleem.

De wetgever zit niet in Rijswijk

De Nederlandse rechtsstaat werkt niet zo dat een zelfstandig bestuursorgaan zelf kan bepalen wat zijn wettelijke taak is. Een zbo heeft openbaar gezag, maar zijn taken staan in de wet. Het CBR kan dus niet simpelweg zeggen: wij vinden dit belangrijk, dus vanaf vandaag gaan wij dit ook doen.

Toch is precies dat de indruk die op sommige terreinen is ontstaan.

Neem de Rijopleiding in Stappen, de RIS. Het CBR ontwikkelde een eigen opleidingsconcept, terwijl uit een advies van de landsadvocaat dat door RijschoolProfs is gepubliceerd juist naar voren komt dat het CBR geen wettelijke taak heeft op het gebied van de opleiding van bestuurders voor rijbewijs B en evenmin toezichtstaak heeft op rijscholen of opleiders.

Dat is geen detail.

Het verschil tussen opleiden en examineren is fundamenteel. Wie leerlingen opleidt, bepaalt mede hoe zij moeten leren rijden. Wie vervolgens het examen afneemt, controleert of zij aan de wettelijke eisen voldoen.

Wanneer dezelfde organisatie zich vervolgens ook met de opleiding gaat bemoeien, ontstaat een merkwaardige vermenging van rollen.

De vraag is dan niet meer alleen: kan het CBR dit goed uitvoeren?

De eerste vraag hoort te zijn:

Wie heeft het CBR hiervoor de wettelijke bevoegdheid gegeven?

De Tussentijdse Toets

Ook de Tussentijdse Toets laat zien hoe ingewikkeld deze rolvervaging kan worden. De TTT bestaat al lange tijd en wordt door het CBR aangeboden als een toetsmoment voorafgaand aan het praktijkexamen. In officiële documenten wordt de TTT als onderdeel van het rijopleidingstraject beschreven. (Officiële Bekendmakingen)

Dat de TTT bestaat, betekent echter niet automatisch dat iedere activiteit die het CBR rondom rijopleiding en rijscholen ontwikkelt daarmee een wettelijke grondslag heeft.

Sterker nog: in een recente parlementaire beantwoording werd expliciet onderscheid gemaakt tussen het wettelijke examen en een tussentijdse toets. Een rijschool kan zelf een toets aanbieden; zodra aan een toets wettelijke vrijstellingen worden verbonden, ligt dat anders en komt de wettelijke examentaak van het CBR in beeld. (Tweede Kamer)

Dat onderscheid zou veel scherper bewaakt moeten worden.

En dan de dashcam

Een vergelijkbare discussie ontstaat rond het filmen van examenritten.

Het CBR heeft in procedures geprobeerd beperkingen op te leggen aan het filmen, volgen en fotograferen van examenritten. In een recente uitspraak van de rechtbank Gelderland werd een aantal door het CBR gevorderde verboden toegewezen, waaronder verboden op het volgen van examenritten en het filmen of fotograferen van inzittenden. (itenrecht.nl)

Maar ook hier moet één fundamentele vraag worden gesteld:

Is een door het CBR gewenst verbod hetzelfde als een verbod dat rechtstreeks uit de wet voortvloeit?

Dat zijn twee verschillende dingen.

Een bestuursorgaan mag niet door een eigen beleidslijn een wettelijke bevoegdheid creëren die de wetgever niet heeft gegeven. Daar ligt een belangrijke grens tussen uitvoering van de wet en het zelf maken van regels.

Het gaspedaal

Misschien wordt die grens nergens zo zichtbaar als bij de dubbele bediening.

Wanneer een CBR-examinator voorafgaand aan een examen verlangt dat het tweede gaspedaal wordt losgekoppeld of onklaar wordt gemaakt, ontstaat een bijzondere situatie. De examinator neemt daarmee immers een veiligheidsvoorziening weg die juist onderdeel is van de lesauto waarin de kandidaat examen doet.

Dan rijst onmiddellijk de vraag: op welke wettelijke grondslag gebeurt dat?

De discussie wordt nog pregnanter wanneer de rijschoolhouder vervolgens zelf verantwoordelijk wordt gehouden voor de gevolgen van die ingreep.

Een rijschoolhouder kan immers terecht zeggen: Ik heb een voertuig met dubbele bediening ter beschikking gesteld. Het CBR verlangt vervolgens dat een onderdeel van die bediening wordt uitgeschakeld. Wie draagt de verantwoordelijkheid wanneer zich vervolgens tijdens het examen een gevaarlijke situatie voordoet?

Dat is geen theoretische vraag.

Stel dat een leerling bij een spoorwegovergang onvoldoende snelheid heeft en het voertuig stilvalt. Of stel dat een beginnende bestuurder bij het invoegen op een autosnelweg te weinig snelheid maakt. Wanneer de examinator niet kan ingrijpen via de dubbele bediening, kan een situatie ontstaan waarin seconden het verschil maken.

Dan moet niet achteraf worden gezegd: de rijschoolhouder was verantwoordelijk.

Dan moet vooraf glashelder zijn wie de bevoegdheid had om de veiligheidsvoorziening uit te schakelen en wie juridisch verantwoordelijk is voor de consequenties daarvan.

De ironie van het exameninstituut

En daar zit misschien wel de grootste ironie.

Het CBR is de organisatie die kandidaten tijdens hun praktijkexamen beoordeelt op de vraag of zij de verkeersregels en verkeersveiligheidsnormen voldoende beheersen.

Een examinator kan een kandidaat laten zakken wanneer die kandidaat de verkeersregels niet naleeft.

Maar wat gebeurt er wanneer de organisatie die dit examen afneemt zelf regels en grenzen opzoekt?

Dan ontstaat een situatie die iedere burger onmiddellijk zou moeten verontrusten:

De examinator controleert of de kandidaat zich aan de regels houdt, terwijl de kandidaat zich mag afvragen of de examinator en zijn organisatie dat zelf ook doen.

Dat is geen aanval op individuele examinatoren. Het is een vraag over bestuurlijke legitimiteit.

Een rechtsstaat kan niet functioneren op basis van: wij zijn het CBR, dus wij bepalen wel hoe het gaat.

Een zbo ontleent zijn bevoegdheid niet aan zijn omvang, zijn machtspositie of zijn lange geschiedenis. Een zbo ontleent zijn bevoegdheid aan de wet.

De omgekeerde wereld

Het wordt helemaal wrang wanneer een organisatie die zelf onder de wet valt, vervolgens grote invloed krijgt op degenen die zij controleert.

De rijschoolhouder moet zich houden aan de eisen van het CBR. De kandidaat moet zich houden aan de eisen van het CBR. De examinator beoordeelt de kandidaat. Het CBR bepaalt vervolgens hoe examens worden georganiseerd, welke voorwaarden aan examenvoertuigen worden gesteld en welke procedures rijscholen moeten volgen.

Dat is een enorme machtspositie.

Juist daarom moet de wettelijke grondslag voor iedere ingrijpende verplichting boven iedere twijfel verheven zijn.

De overheid mag immers niet werken volgens het principe “wat niet verboden is, is toegestaan” wanneer het gaat om het handelen van bestuursorganen. Voor overheidshandelen geldt juist dat bevoegdheden een wettelijke basis moeten hebben.

Het CBR is geen vierde macht.

Het CBR is geen parlement.

Het CBR kan geen eigen wetten uitvaardigen.

En wanneer het CBR regels of verplichtingen oplegt die verder gaan dan de wettelijke bevoegdheden, hoort de eerste reactie van politiek en toezicht niet te zijn: hoe kunnen we dit beleid beter uitvoeren?

De eerste vraag moet zijn:

Waar staat dit in de wet?

Wie controleert de controleur?

Dat is uiteindelijk de kern.

Nederland heeft ervoor gekozen het rijexamen bij een zelfstandig bestuursorgaan onder te brengen. Daar is op zichzelf niets vreemds aan. Zbo’s kunnen juist nuttig zijn wanneer zij overheidstaken onafhankelijk en professioneel uitvoeren. Maar die zelfstandigheid betekent nadrukkelijk niet dat zij boven de wet staan. De Rijksoverheid omschrijft zbo’s als organisaties die een overheidstaak uitvoeren en benadrukt dat hun taken in de wet zijn vastgelegd. (Rijksoverheid)

Daarom is het onvoldoende om bij iedere nieuwe CBR-regel te vragen of die regel praktisch handig is.

Er moet worden gevraagd of hij juridisch mag.

Bij RIS.

Bij de Tussentijdse Toets.

Bij beperkingen rond dashcams.

Bij voorwaarden voor examenvoertuigen.

En bij het onklaar maken van de dubbele bediening.

Want als een exameninstituut de burger en de rijschoolbranche streng controleert op naleving van wet- en regelgeving, maar zelf de grenzen van zijn wettelijke bevoegdheden oprekt, ontstaat een bestuurlijke paradox.

Dan wordt de vraag onvermijdelijk:

Wie controleert eigenlijk het CBR wanneer het CBR zichzelf niet meer als uitvoerder van de wet gedraagt, maar als maker van de regels?

Dat is geen vraag die alleen rijschoolhouders aangaat.

Het is een vraag over de rechtsstaat.