De wettelijke invoering van het Nationaal Leerplan Rijopleiding zal grote financiële en arbeidsmarktgevolgen hebben voor rijinstructeurs en de veelal jonge consumenten. Volgens het transitieplan van Royal Haskoning DHV kunnen de kosten voor de noodzakelijke bijscholing al snel oplopen tot 1.500 euro per instructeur. Royal Haskoning schrijft dat daar bovenop nog de kosten komen voor praktijkbegeleiding door CBR of IBKI en de inkomstenderving door gemiste lesuren. Dat betekent dat de invoering van het nieuwe stelsel voor de branche een forse investering kan worden die zal leiden tot prijsstijging van de rijopleiding.
dit artikel is geschreven met behulp van kunstmatige intelligentie (AI)
Een transitieplan is een plan waarin wordt beschreven hoe de overgang van de huidige situatie naar een nieuwe situatie wordt georganiseerd. Uit het transitieplan dat in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is gemaakt blijkt hoe het ministerie, het CBR en het IBKI de overgang naar het Nationaal Leerplan Rijopleiding voor zich zien en wat de gevolgen kunnen zijn voor rijscholen en hun klanten.
Opvallend is bovendien dat hetzelfde rapport, dat door het ministerie, het CBR en het IBKI als belangrijke leidraad wordt gebruikt bij de voorbereiding van de wettelijke introductie van het Nationaal Leerplan Rijopleiding, uitgaat van een toekomst waarin 6.800 instructeurs voldoende zouden zijn om bijna 200.000 leerlingen op te leiden.

Dat staat in schril contrast met de huidige situatie. Nederland telt op dit moment bijna 12.000 rijinstructeurs. Het verschil tussen beide aantallen is zo groot dat het vermoeden wordt gevoed dat de wettelijke invoering van het Nationaal Leerplan uiteindelijk kan leiden tot een ingrijpende sanering van de branche. Als de berekeningen waarop het nieuwe stelsel wordt gebaseerd werkelijkheid worden, zou bijna de helft van de huidige instructeurs in de toekomst mogelijk onvoldoende werk hebben en gedwongen kunnen worden een andere bron van inkomsten of zelfs een andere baan te zoeken.
Daarbij rijst de vraag waarom van duizenden zelfstandige rijscholen en instructeurs wordt verwacht dat zij aanzienlijke bedragen investeren in verplichte bijscholing, terwijl tegelijkertijd wordt gerekend met een aanzienlijk kleinere beroepsgroep.
Des te opmerkelijker is een passage die in de kleine lettertjes van het transitieplan lijkt te zijn opgenomen. Daaruit blijkt dat rijscholen en instructeurs ook na de invoering van het Nationaal Leerplan Rijopleiding hun wettelijke vrijheid behouden om een eigen of andere opleidingsmethodiek te gebruiken. Volgens VCBA rijst dan ook de vraag waarom instructeurs bijgeschoold zouden moeten worden volgens de RIS methode.
Opvallend is volgens Consumentenbelang Autorijbewijs (VCBA) dat in het Nationaal Leerplan Rijopleiding nog steeds rekening wordt gehouden met een rol van het CBR bij de verplichte RIS opleiding, terwijl dit geen wettelijke kerntaak is van het CBR.
In haar brandbrief aan het ministerie van 8 september 2023 heeft VCBA de directeur-generaal al gewezen op het feit dat het CBR onrechtmatig handelde door een eigen rijopleiding te ontwikkelen en exploiteren. Dat leidde eind 2024 al tot vragen vanuit de Tweede Kamer aan de toenmalige minister.

Dat roept een fundamentele vraag op: waarom zouden instructeurs verplicht hoge kosten moeten maken voor bijscholing in een specifieke methodiek, wanneer zij wettelijk niet verplicht zijn om uitsluitend volgens die methodiek les te geven? De combinatie van hoge scholingskosten, een verwachte forse vermindering van het aantal benodigde instructeurs en het behoud van de vrijheid om andere opleidingsmethodieken te gebruiken, vraagt om volledige transparantie van het ministerie, het CBR en het IBKI voordat het Nationaal Leerplan Rijopleiding wettelijk wordt ingevoerd.





