CBR-rapport ‘Stand van de examinering van praktijkexamen B’ roept vragen op: feiten of beïnvloeding van de politiek?

Wil CBR directrice Nanouke van 't Riet de politiek beïnvloeden met valse beeldvorming rond afgebroken praktijkexamens?

Leestijd: 7 minuten

Het CBR heeft gisteren voor het eerst een afzonderlijke publicatie uitgebracht over de stand van de examinering van het praktijkexamen B in 2025. Het rapport presenteert veel cijfers en achtergrondinformatie, maar roept volgens de Vereniging Consumentenbelang Autorijbewijs (VCBA) ook een fundamentele vraag op: gaat het hier uitsluitend om transparantie, of wordt het rapport mede gebruikt om de politieke beeldvorming rond de hervorming van de rijopleiding te beïnvloeden?

Het CBR presenteert de nieuwe publicatie als een manier om transparanter te zijn over de examinering. De organisatie schrijft dat zij voortaan vaker inzicht wil geven in haar werk en het praktijkexamen vanuit verschillende perspectieven wil bekijken: dat van de kandidaat, de opleider, de examinator en het examen zelf.

Dat klinkt op zichzelf logisch. Maar juist de timing en de manier waarop bepaalde cijfers worden gepresenteerd, verdienen volgens de VCBA kritische aandacht. De Tweede Kamer staat immers voor belangrijke keuzes over de toekomst van de rijopleiding, waaronder de plannen rond het Nationaal Leerplan Rijopleiding B. Het CBR is daarbij een belangrijke uitvoeringsorganisatie en heeft een direct belang bij de inrichting van het toekomstige stelsel.

3.570 voortijdig afgebroken examens

Een van de opvallendste cijfers in de nieuwe publicatie betreft de examens die voortijdig worden beëindigd vanwege verkeersgevaarlijk rijgedrag. Volgens het CBR ging het in 2025 om 3.570 examens.

Dat klinkt op het eerste gezicht als een enorm aantal. Maar cijfers krijgen pas betekenis wanneer ze in verhouding tot de totale omvang worden geplaatst.

[tekst gaat door onder afbeelding]

In 2025 nam het CBR 496.142 praktijkexamens B af. De 3.570 voortijdig afgebroken examens vormen daarmee ongeveer 0,72 procent van alle afgenomen praktijkexamens.

Of anders gezegd: bij ruim 99,28 procent van de bijna een half miljoen praktijkexamens werd het examen niet voortijdig beëindigd vanwege verkeersgevaarlijk rijden.

Dat roept de vraag op waarom een relatief kleine categorie zo prominent wordt gebruikt in het bredere verhaal over de kwaliteit van de rijopleiding.

Het bestaan van 3.570 gevaarlijke situaties moet uiteraard serieus worden genomen. Iedere kandidaat die tijdens een examen daadwerkelijk een ernstig verkeersrisico veroorzaakt, verdient een professionele beoordeling. Maar uit het cijfer zelf volgt nog niet dat de gehele Nederlandse rijschoolbranche onvoldoende kwaliteit levert. Daarvoor is aanvullende informatie noodzakelijk, bijvoorbeeld over de aard van de incidenten, de omstandigheden, de ontwikkeling ten opzichte van eerdere jaren en de vraag of de oorzaken daadwerkelijk terug te voeren zijn op de rijopleiding.

[tekst gaat door onder afbeelding]

Van incident naar oordeel over een hele branche

Daar zit volgens de VCBA precies het probleem.

Wanneer een rapport cijfers over verkeersgevaarlijk gedrag presenteert zonder deze voortdurend af te zetten tegen de totale examenproductie, kan bij de lezer gemakkelijk de indruk ontstaan dat verkeersgevaarlijk gedrag op grote schaal voorkomt.

Het verschil tussen 3.570 gevallen en 0,72 procent van alle examens is echter aanzienlijk.

Het is daarom de vraag of het gerechtvaardigd is om dergelijke cijfers vervolgens te gebruiken als onderbouwing voor ingrijpende veranderingen in het gehele stelsel van rijopleidingen.

Die discussie is extra relevant omdat het CBR en het ministerie al langere tijd verwijzen naar het rapport Van Rijles naar Rijonderwijs en de daarin voorgestelde veranderingen. Ook BOVAG koppelt het lage gemiddelde slagingspercentage aan de noodzaak om het rijonderwijs verder te veranderen en verwijst daarbij naar de uitvoering van de aanbevelingen uit het Roemer-rapport.

Dat maakt het noodzakelijk om onderscheid te blijven maken tussen vastgestelde problemen, interpretaties van cijfers en beleidskeuzes.

Het CBR heeft zelf laten zien dat cijfers anders kunnen worden geïnterpreteerd

Een belangrijk voorbeeld is het slagingspercentage.

In de kwartaalrapportage over 2025 werd gemeld dat het gemiddelde slagingspercentage voor het eerste praktijkexamen B aan het einde van het vierde kwartaal 49,7 procent bedroeg. Het ministerie stelde daarbij vast dat dit minder dan één procentpunt lager lag dan het niveau van vóór corona van 50,4 procent.

Tegelijkertijd werd in dezelfde rapportage gewezen op het tijdelijk afschaffen van de tussentijdse toets als mogelijke factor.

Ook de wachttijden geven een ander beeld dan een verhaal waarin uitsluitend sprake is van falend functioneren. Door het tijdelijk schrappen van de TTT kon het CBR in het tweede, derde en vierde kwartaal van 2025 ruim 52.000 meer examens afnemen dan in dezelfde periode van 2024. Eind 2025 lagen de reserveringstermijnen voor het eerste B-examen op alle locaties tussen één en zes weken, dus binnen de afgesproken KPI van maximaal zeven weken.

Dat zijn eveneens relevante feiten voor de politieke discussie.

Transparantie is iets anders dan beeldvorming

De VCBA stelt daarom niet dat het CBR geen problemen mag benoemen. Integendeel: een publieke uitvoeringsorganisatie moet problemen juist zichtbaar maken.

Maar transparantie betekent ook dat cijfers in hun juiste context worden geplaatst.

Een rapport waarin vooral wordt benadrukt hoeveel kandidaten gevaarlijk rijden, hoeveel kandidaten zakken en welke problemen de rijschoolbranche zou veroorzaken, kan een ander beeld oproepen dan een rapport waarin dezelfde cijfers worden afgezet tegen het totale aantal examens, historische ontwikkelingen en alternatieve verklaringen.

Dat onderscheid is voor de Tweede Kamer van groot belang.

Want wanneer cijfers worden gebruikt om politieke besluitvorming over het Nationaal Leerplan Rijopleiding B te ondersteunen, moet duidelijk zijn welke feiten vaststaan, welke conclusies het CBR daar zelf aan verbindt en welke beleidskeuzes vervolgens door politiek en wetgever worden gemaakt.

Het CBR schrijft zelf dat de nieuwe publicatie niet alleen cijfers bevat, maar ook “achtergrondinformatie en duiding”. Juist dat laatste onderdeel verdient daarom kritisch onderzoek. Cijfers zijn immers meetbare gegevens; de interpretatie ervan is een andere stap.

0,72 procent is geen volledige branche

Het meest sprekende voorbeeld blijft het getal van 3.570.

Wie alleen hoort dat in één jaar 3.570 examens wegens verkeersgevaarlijk rijden zijn afgebroken, kan denken aan een structureel en omvangrijk probleem.

Wie hetzelfde cijfer naast de totale productie van 496.142 praktijkexamens legt, ziet dat het om ongeveer 0,72 procent gaat.

Dat betekent niet dat 3.570 incidenten onbelangrijk zijn. Het betekent wel dat het cijfer niet zonder verdere analyse kan worden gebruikt als bewijs dat de Nederlandse rijopleiding als geheel niet deugt.

De vraag die de politiek daarom zou moeten stellen is niet alleen wat er misgaat, maar ook hoe groot het probleem daadwerkelijk is, waardoor het wordt veroorzaakt en of de voorgestelde stelselwijziging aantoonbaar aansluit bij die oorzaak.

ACM moet duidelijkheid brengen over CBR-slagingspercentage

Een belangrijk onderdeel dat in de discussie over het nieuwe CBR-rapport niet mag ontbreken, is het handhavingsverzoek dat de VCBA bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) heeft ingediend. Volgens de consumentenvereniging kan een onderzoek door de ACM duidelijkheid verschaffen over de geloofwaardigheid van een van de belangrijkste argumenten die het CBR en beleidsmakers al jarenlang gebruiken: de stelling dat een aanzienlijk deel van de rijschoolbranche ondermaats presteert.

Die stelling is niet zonder politieke gevolgen. Het lage gemiddelde slagingspercentage wordt al langere tijd aangehaald in de discussie over de kwaliteit van het Nederlandse rijonderwijs en de noodzaak van ingrijpende veranderingen. Ook brancheorganisatie BOVAG stelt dat de kwaliteit bij een deel van de rijscholen onder het vereiste niveau ligt en koppelt dat onder meer aan het gemiddelde slagingspercentage van 49,8 procent in 2025.

Maar wat als het gebruikte percentage zelf geen betrouwbaar beeld geeft van de kwaliteit van een rijschool?

Dat is precies de vraag die de VCBA bij de ACM heeft neergelegd. De vereniging stelt na jarenlang eigen onderzoek dat het CBR-slagingspercentage misleidend is, omdat het systeem volgens de VCBA mogelijkheden biedt om de cijfers te beïnvloeden. De vereniging wijst daarbij onder meer op de wijze waarop examens worden geregistreerd en op constructies waarbij kandidaten via een andere inschrijving of via een Rijschool Administratiekantoor (RAK) examen doen.

Volgens de VCBA is daardoor niet zonder meer vast te stellen hoeveel kandidaten daadwerkelijk bij een bepaalde rijopleider zijn opgeleid en hoe vaak kandidaten die door die opleider zijn voorbereid voor een examen zijn gezakt.

Cruciale vraag voor de politieke besluitvorming

Daarmee ontstaat een fundamentele vraag die verder gaat dan alleen de betrouwbaarheid van een consumentenwebsite.

Als het CBR-slagingspercentage geen betrouwbaar beeld geeft van de daadwerkelijke kwaliteit van rijopleiders, kan dat percentage dan nog worden gebruikt als onderbouwing voor ingrijpende wijzigingen van wet- en regelgeving?

De VCBA zegt na jarenlang onderzoek tot de conclusie te zijn gekomen dat het antwoord daarop nee is. De vereniging stelt bovendien dat het CBR al langer bekend is met de beperkingen van het eigen systeem en dat het CBR volgens haar weet dat de gepubliceerde cijfers kunnen worden gemanipuleerd. Die beschuldiging is door de VCBA onderbouwd met documenten en correspondentie die zij aan de ACM heeft voorgelegd.

Dat maakt het ACM-onderzoek relevant voor de bredere discussie over het Nationaal Leerplan Rijopleiding B. Het gaat immers niet alleen om de vraag of een percentage statistisch ideaal is, maar om de vraag welke conclusies de overheid daar vervolgens aan mag verbinden.

Eerst vaststellen of de meetlat deugt

Juist daarom zou de discussie over de kwaliteit van rijscholen niet moeten beginnen met de conclusie dat een slagingspercentage van ongeveer 50 procent bewijst dat een groot deel van de branche onvoldoende presteert.

Eerst moet worden vastgesteld of de meetlat zelf betrouwbaar is.

Dat geldt des te meer nu het CBR in zijn nieuwe rapport opnieuw cijfers presenteert die kunnen worden gebruikt om een beeld te schetsen van de kwaliteit van de rijschoolbranche. Het CBR zegt zelf dat de nieuwe publicatie niet alleen cijfers bevat, maar ook “achtergrondinformatie en duiding”.

Als vervolgens blijkt dat een belangrijk onderliggend cijfer — het CBR-slagingspercentage — een vertekend beeld kan geven, heeft dat rechtstreeks gevolgen voor de manier waarop ook andere cijfers uit het rapport moeten worden geïnterpreteerd.

De ACM kan daarmee een cruciale onafhankelijke toets bieden: is het CBR-slagingspercentage daadwerkelijk een betrouwbare indicator voor de kwaliteit van een rijopleider, of wordt aan een cijfer een betekenis toegekend die het cijfer niet kan dragen?

Zolang die vraag niet onafhankelijk is beantwoord, vindt de VCBA het voorbarig om het lage slagingspercentage als bewijs te gebruiken dat een groot deel van de branche ondermaats presteert en vervolgens op basis daarvan ingrijpende wetswijzigingen door te voeren.

De bal ligt daarmee niet alleen bij het CBR, maar ook bij de politiek. Wie een stelsel ingrijpend wil veranderen, zal eerst moeten kunnen aantonen dat de cijfers waarop die verandering wordt gebaseerd betrouwbaar zijn.

De Tweede Kamer moet verder kijken dan de presentatie

Het nieuwe CBR-rapport kan waardevolle informatie bevatten. Maar juist omdat het CBR zelf onderdeel is van het systeem dat met het Nationaal Leerplan Rijopleiding B ingrijpend zou kunnen veranderen, is onafhankelijke toetsing van de cijfers en conclusies van groot belang.

De Tweede Kamer zou daarom niet alleen moeten kijken naar de conclusies die het CBR aan de cijfers verbindt, maar ook naar de onderliggende data.

Hoeveel van de bijna 500.000 examens eindigden daadwerkelijk voortijdig vanwege verkeersgevaarlijk rijden? Hoe heeft dat percentage zich de afgelopen jaren ontwikkeld? Welke concrete situaties lagen aan die beëindigingen ten grondslag? En welk deel daarvan kan aantoonbaar worden toegeschreven aan de kwaliteit van de rijopleiding?

Zonder die antwoorden blijft het risico bestaan dat een klein percentage van de totale examenproductie wordt gebruikt om een veel groter probleem te suggereren.

De discussie over de toekomst van de rijopleiding is daarvoor te belangrijk.

Het Nationaal Leerplan Rijopleiding B zou niet moeten worden beoordeeld op basis van de vraag welk beeld een rapport oproept, maar op basis van controleerbare feiten, onafhankelijke analyses en aantoonbare effecten voor leerlingen, rijinstructeurs en verkeersveiligheid.

Dat is uiteindelijk ook de kern van echte transparantie.

Downloaden

andere berichten over dit onderwerp

Top-Drive en Rijschool L via Whatsapp: “CBR heeft ons bedrijf erkend als RAK”

De eigenaar van Top-Drive en Rijschool L heeft tegenover de Vereniging Consumentenbelang Autorijbewijs (VCBA) via WhatsApp bevestigd dat het CBR …

CBR onder vuur: wat blijft er verborgen voor de consument?

Een WOO-verzoek van de Vereniging Consumentenbelang Autorijbewijs (VCBA) uit 2023 werpt opnieuw vragen op over de transparantie van het CBR …

‘Topambtenaren ministerie I&W, Kees van der Burg en Marion Smit, zijn verantwoordelijk voor misleiding Tweede Kamer!’

Topambtenaren Kees van der Burg en Marion Smit van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zijn al jarenlang op de …

VCBA eist van minister dat hij het CBR verbiedt RAK’s te vermelden in Rijschoolzoeker

De Vereniging Consumentenbelang Autorijbewijs (VCBA) vraagt de minister van Infrastructuur en Waterstaat om het CBR te verbieden Rijschool Administratie Kantoren …

VCBA maakt brief openbaar waarin de Tweede Kamer wordt gevraagd om onderzoek naar de rol van top ministerie I&W bij niet en/of bewust verkeerd informeren parlement!

De Vereniging Consumentenbelang Autorijbewijs (VCBA) heeft de Tweede Kamer schriftelijk gevraagd onderzoek te doen naar de directe betrokkenheid van DG’s …

COLUMN | Brancheorganisaties vertegenwoordigen maar 10% van de rij-instructeurs en zijn niet kritisch over de gevolgen van het Nationaal Leerplan Rijopleiding!

Brancheorganisaties als BOVAG en de Koepel Rijopleiding en Verkeerseducatie (KRV) vertegenwoordigen nog geen 10 procent van de rijscholen en rijinstructeurs …