Een WOO-verzoek van de Vereniging Consumentenbelang Autorijbewijs (VCBA) uit 2023 werpt opnieuw vragen op over de transparantie van het CBR. Volgens de vereniging maakte het CBR niet alle opgevraagde documenten openbaar over de verdeling van examenplaatsen in Amsterdam. Juist tegen die achtergrond stelt de VCBA nu ook de betrouwbaarheid van het CBR-slagingspercentage ter discussie. De vereniging heeft de Autoriteit Consument & Markt (ACM) gevraagd onderzoek te doen naar het mogelijk misleidende karakter van deze informatie.
WOO-verzoek moest duidelijkheid brengen
Op 8 augustus 2023 diende de toenmalige voorzitter van de VCBA, Pascal Hansen, een WOO-verzoek in bij het CBR. De vereniging wilde inzicht krijgen in mogelijke oneerlijke handelspraktijken rond de Amsterdamse bedrijven Top-Drive en Rijschool-L.
De aanleiding waren volgens de VCBA klachten van leerlingen van andere rijscholen. Terwijl leerlingen daar soms 20 tot 24 weken op een praktijkexamen moesten wachten, zouden via Rijschool-L en Top-Drive sneller examenplaatsen beschikbaar zijn geweest.
Dat riep bij de consumentenorganisatie de vraag op hoe de beschikbare examencapaciteit werd verdeeld en of bepaalde rijscholen daarbij een voorkeurspositie hadden.
CBR maakte slechts een deel van de informatie openbaar
Het WOO-verzoek omvatte volgens de VCBA aanzienlijk meer informatie dan de documenten die uiteindelijk door het CBR openbaar werden gemaakt.
De vereniging vroeg onder meer om interne documenten, e-mails, WhatsApp-verkeer, vergaderstukken en andere communicatie die betrekking kon hebben op de kwestie. Ook werden twee examenmanagers genoemd die volgens de VCBA op de hoogte zouden zijn geweest van afwijkende afspraken met een grootafnemer van examencapaciteit.

In het WOO-besluit van 25 september 2023 ontbraken volgens de VCBA echter de overige opgevraagde documenten. De vereniging stelt dat het CBR daarmee geen volledige openheid heeft gegeven over de informatie waar zij om had gevraagd.
De huidige voorzitter van de VCBA zegt daarover:
“Het bestuur heeft destijds gemeend deze informatie boven water te krijgen, omdat er veel klachten kwamen van leerlingen (consumenten) van andere rijscholen. Die moesten in de tijd soms wel tot 20 tot 24 weken wachten op een plekje.”
Volgens de voorzitter was bovendien bekend dat er regelmatig persoonlijk contact was tussen CBR-medewerkers en de eigenaar van beide bedrijven.
“Het kan dus niet anders dan dat er mails, WhatsApp of andere documenten beschikbaar waren. Maar het CBR heeft verzuimd die openbaar te maken.”
Van ontbrekende documenten naar ontbrekende context
Voor de VCBA is de WOO-kwestie vooral relevant vanwege een bredere vraag: hoe controleerbaar is de informatie die het CBR aan consumenten verstrekt?
Die vraag speelt volgens de vereniging ook bij het CBR-slagingspercentage dat wordt weergegeven in de officiële CBR Rijschoolzoeker.
Voor een consument lijkt een slagingspercentage op het eerste gezicht een eenvoudig en objectief gegeven. Een hoog percentage kan de indruk wekken dat leerlingen bij die rijschool een grotere kans hebben om voor het praktijkexamen te slagen.
Maar volgens de VCBA is die conclusie niet zonder meer gerechtvaardigd.
Een correct cijfer kan toch misleidend zijn
Daarmee komt de discussie op het terrein van de consumentenbescherming.
De vraag die de ACM volgens de VCBA moet beantwoorden, is niet uitsluitend of het CBR de percentages rekenkundig correct heeft vastgesteld. De veel belangrijkere vraag is welke indruk het CBR bij consumenten wekt door deze percentages op deze manier te presenteren.
Een cijfer kan immers feitelijk juist zijn en tegelijkertijd een misleidende indruk veroorzaken wanneer de context ontbreekt of wanneer consumenten het cijfer interpreteren als een persoonlijke slagingskans.
Precies daarom heeft de VCBA een handhavingsverzoek bij de ACM ingediend.
ACM moet het CBR-slagingspercentage onderzoeken
Volgens de VCBA moet de ACM vaststellen of de informatie in de CBR Rijschoolzoeker consumenten in staat stelt om een werkelijk geïnformeerde keuze voor een rijschool te maken.
Daarbij moet volgens de vereniging onder meer worden gekeken naar de betekenis van het percentage, de manier waarop het wordt berekend en de vraag of consumenten uit het gepresenteerde cijfer conclusies kunnen trekken die door de onderliggende gegevens niet worden gerechtvaardigd.
Dat is geen technische discussie over statistiek alleen. Het gaat om de vraag of een consument die op de officiële website van het CBR een rijschool vergelijkt, een betrouwbaar beeld krijgt van de daadwerkelijke kans om bij die rijschool te slagen.
Transparantie is geen detail
De twee dossiers — het WOO-verzoek uit 2023 en het huidige handhavingsverzoek bij de ACM — hebben volgens de VCBA een gemeenschappelijke kern: transparantie.
Bij het WOO-verzoek gaat het om de vraag welke informatie beschikbaar was over de verdeling van examenplaatsen en welke communicatie daarover heeft plaatsgevonden.
Bij het slagingspercentage gaat het om de vraag welke informatie en methodiek ten grondslag liggen aan een cijfer dat vervolgens rechtstreeks wordt gebruikt door consumenten bij hun keuze voor een rijschool.
In beide gevallen staat volgens de VCBA dezelfde fundamentele consumentenbelang centraal: kan de burger controleren of de informatie van het CBR daadwerkelijk een betrouwbaar en eerlijk beeld geeft?
De consument mag geen verkeerde conclusie trekken
De VCBA vindt dat consumenten niet de dupe mogen worden van informatie die officieel en betrouwbaar oogt, maar volgens de vereniging onvoldoende context biedt.
Een leerling die op basis van het CBR-slagingspercentage een rijschool kiest, doet dat immers niet uit wetenschappelijke belangstelling. Het cijfer kan rechtstreeks invloed hebben op de keuze voor een rijschool en daarmee op de besteding van honderden of zelfs duizenden euro’s aan rijlessen.
Daarom vindt de VCBA dat het CBR niet alleen moet kunnen aantonen dat zijn cijfers technisch kloppen. Het moet volgens de vereniging ook duidelijk maken wat het cijfer betekent, wat het niet betekent en welke conclusies een consument er wel en niet aan mag verbinden.
De bal ligt nu bij de ACM
Met het handhavingsverzoek heeft de VCBA de kwestie voorgelegd aan de onafhankelijke toezichthouder. De ACM zal moeten beoordelen of de wijze waarop het CBR het slagingspercentage presenteert verenigbaar is met de regels tegen misleidende handelspraktijken.
Daarmee kan de discussie over het CBR-slagingspercentage een principiële zaak worden. Niet alleen voor rijscholen, maar vooral voor de duizenden consumenten die jaarlijks via de CBR Rijschoolzoeker een rijschool proberen te kiezen.
Want als een consument op basis van officiële CBR-informatie een belangrijke financiële beslissing neemt, mag worden verwacht dat die informatie niet alleen correct is, maar ook eerlijk, begrijpelijk en niet misleidend.
De vraag die nu bij de ACM ligt, is daarom helder:
Geeft het CBR-slagingspercentage consumenten werkelijk de informatie die zij denken te krijgen — of wekt het een betrouwbaarheid die het cijfer in werkelijkheid niet kan waarmaken?








