![]()
column geschreven door: Henrie Kamps, voorzitter VCBA
Volgens Thom de Graaff, D66-politicus, dreigt ons gave land bestuurloos te worden. Een minderheidskabinet of een meerderheid lijkt daarbij nauwelijks nog verschil te maken. Wie met enige regelmaat de politieke debatten volgt, de interviews op televisie bekijkt of de commentaren leest in de kranten – waarvan een groot deel tegenwoordig vooral om clicks lijkt te draaien – kan moeilijk ontkennen dat verdraaien, beschimpen en politieke framing een normaal onderdeel van het openbaar bestuur zijn geworden.
Maar eerlijk gezegd denk ik dat het probleem niet in de eerste plaats in Den Haag zit. De betonrot zit dieper. Veel dieper. In delen van ons ambtelijk apparaat.
Tijdens de coronaperiode keek ik noodgedwongen naar de openbare verhoren van de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag. Ik schrok wakker uit een droom waarin ik jarenlang had geloofd: dat Nederland een overheid had die de burger diende.
Het rapport Ongekend Onrecht maakte die illusie definitief kapot. Ouders werden ten onrechte als fraudeur bestempeld, gezinnen financieel geruïneerd en kinderen groeiden op in armoede en onzekerheid. Mensen verloren hun gezondheid, hun relatie, hun huis en soms zelfs hun leven. Uiteindelijk moest zelfs de rechterlijke macht erkennen dat fundamentele lessen getrokken moesten worden. Geen ambtenaar verloor zijn baan, het kabinet keerde terug na eerder te zijn afgetreden. De gevolgen waren er, nog steeds, alleen maar voor de burger.
Vijf jaar later vraag ik mij af hoeveel van die lessen werkelijk zijn geleerd. Ik zie of merk er niets van: niet binnen het CBR, niet binnen het Directoraat Generaal Mobiliteit van het ministerie, niet bij de politie, het Openbaar Ministerie en ook niet in de rechtszaal.
Uit eigen ervaring moet ik constateren dat er binnen delen van de overheid nog altijd een cultuur bestaat waarin de eigen organisatie belangrijker is dan de burger. Waar fouten liever worden afgedekt dan onderzocht. Waar kritiek wordt gezien als een aanval en de boodschapper eerder wordt bestreden dan de boodschap wordt onderzocht.
In 2021 besloot ik mij na mijn werkzame leven vanaf 2029 via onrecht.nl in te zetten voor mensen die door de overheid worden vermorzeld. Ik wist toen niet wat ik inmiddels wel weet.
Ik heb aan den lijve – ook letterlijk – ervaren hoe ambtenaren, juristen en bestuurders elkaar jarenlang kunnen afschermen. Hoe interne onderzoeken uitblijven. Hoe klachten verdwijnen in een bureaucratisch moeras. Hoe dure advocaten worden ingezet om burgers murw te procederen en rechters op het verkeerde been te zetten. En hoe het voor gewone Nederlanders vrijwel onmogelijk is geworden om een advocaat te vinden die het tegen de overheid wil opnemen. Er is nauwelijks, nog een sociale advocatuur. Het is anno 2026: de advocaat van de Staat tegen de burger geworden!
Mijn ervaringen met het CBR staan daarin niet op zichzelf. Vijf jaar lang zag ik hoe iedere oproep tot zelfonderzoek strandde.
Ik heb gezien en onderzocht hoe het CBR al vijfentwintig jaar geleden de Haagse rijschoolhouder Kris Kalloe bewust ruïneerde door hem op te schepen met een schadeclaim van vijf miljoen euro door de NS, vanwege een treinongeluk waarbij een CBR examinatrice als schuldige werd aangewezen door de politie. Niet de vraag of er fouten waren gemaakt stond centraal, maar hoe de organisatie reputatieschade kon beperken. Wie misstanden aankaart, loopt het risico zelf onderwerp van discussie te worden.
Dat baart mij zorgen.
Want een bestuurder die werkelijk leiderschap toont, begint niet met procederen, maar met luisteren. Met zelfreflectie. Met de vraag of de burger misschien toch een punt heeft. Ik zie daarvan te weinig terug. Ook niet bij nieuwe bestuurders, zoals Nanouke van ’t Riet, die juist met een schone lei zouden kunnen beginnen.
Nog zorgelijker vind ik dat politie, Openbaar Ministerie en soms ook de rechterlijke macht de overheid lang niet altijd met dezelfde kritische blik lijken te benaderen als de gewone burger. Natuurlijk maken ook burgers fouten, ook ik. Maar juist een overheid hoort aan een hogere norm te voldoen. Wie macht heeft, draagt immers ook een grotere verantwoordelijkheid. Wat is de waarde van de ambtseed, wanneer deze vooral dient als vrijbrief om te liegen.
Steeds vaker vraag ik mij af of de blinddoek van Vrouwe Justitia nog symbool staat voor onpartijdigheid. Voor recht zonder aanzien des persoons. Of dat zij soms vooral niet meer ziet hoe ongelijk de strijd tussen burger en overheid inmiddels is geworden.
Het grootste gevaar is niet dat Nederland bestuurloos wordt.
Het grootste gevaar is dat burgers het vertrouwen verliezen dat de overheid er nog vóór hen is.
Wanneer mensen jarenlang het gevoel hebben niet gehoord te worden, wanneer procedures eindeloos voortslepen en iedere deur gesloten blijft, kan wanhoop ontstaan. De geschiedenis leert dat wanhoop soms tot verschrikkelijke uitbarstingen leidt. Dat is geen rechtvaardiging voor geweld – integendeel. Maar het is wel een waarschuwing die iedere bestuurder serieus zou moeten nemen.
Gisteren las ik het bericht over de schietpartij in het Duitse Stade, waar zes mensen om het leven kwamen na een conflict dat verband hield met een jeugdzorgkwestie. Zulke gebeurtenissen laten zien hoe destructief een opeenstapeling van frustratie, wanhoop en verlies van vertrouwen kan uitpakken.
Ik vraag mij oprecht af wanneer in ons land de eerste boer of burger uit frustratie en onmacht tot zo’n daad komt, vooral omdat ik zelf ervaar hoe frustratie en machteloosheid zich tussen de oren nestelt en onherstelbare schade veroorzaakt.
De onrust onder boeren neemt ondertussen weer toe, Diezelfde onrust zal in 2028 ontstaan wanneer Nanouke van ’t Riet en haar CBR de volledige macht in de rijschoolwereld naar zich toetrekt. Wanneer, volgens eigen zeggen, ‘de baan van examinator de makkelijkste baan van Nederland wordt’. Wanneer 70% van de jongeren in ons land zijn afgehaakt bij het volgen van een rijopleiding en de massa zonder rijbewijs achter het stuur kruipt.
Juist daarom zou iedere bestuurder, iedere ambtenaar en iedere rechter zich dagelijks één vraag moeten stellen:
Niet hoe de overheid zichzelf beschermt, maar hoe zij voorkomt dat burgers zich door diezelfde overheid in de steek gelaten voelen.











