![]()
Jarenlang verzorgde het CBR zonder wettelijk mandaat de vijfjaarlijkse WRM praktijkbijscholing bij het eigen personeel. Anders dan bij reguliere WRM-instructeurs zaten er geen leerlingen achter het stuur tijdens de WRM praktijkbijscholing, maar een CBR collega.
Deze werkwijze ging ten koste van examencapaciteit, omdat voor iedere ‘IBKI’ praktijkbegeleiding drie examinatoren werden ingezet; de leerling, de examinator die zijn of haar WRM wilde verlengen en de examinator die de IBKI taak voor zijn rekening nam.
Terwijl examenkandidaten en reguliere WRM-instructeurs in de jaren na Corona rekening moesten houden met drie tot vier maanden wachttijd konden CBR examinatoren soms al binnen een week een plek krijgen voor de vijfjaarlijkse WRM praktijkbijscholing.
Het CBR voerde daarnaast jarenlang de verplichte vijfjaarlijkse WRM praktijkbegeleiding voor RIS gecertificeerde rijinstructeurs uit, terwijl deze wettelijke taak volgens het ministerie door IBKI uitgevoerd had moeten worden. Op 1 januari 2026 werd de vijfjaarlijkse WRM praktijkbijscholing daarom weer overgedragen aan IBKI.
Volgens journalisten was de CBR-directie al eerder gewaarschuwd over de juridische grenzen van zijn bemoeienis met de rijopleiding. Een advies van de landsadvocaat zou hebben vastgesteld dat voor bepaalde CBR-activiteiten een wettelijke grondslag ontbrak. De vraag blijft waarom het CBR desondanks doorging en welke rol het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat daarbij speelde.



