door: Henrie Kamps, voorzitter VCBA
Henrie Kamps is voormalig rijschoolhouder en deed onderzoek naar misstanden binnen het CBR. Jarenlang werd hij net als eerdere klokkenluiders door het CBR geïntimideerd en gecriminaliseerd. Vanaf 1 juli 2026 is hij voorzitter van de Vereniging Consumentenbelang Autorijbewijs (VCBA).
Het zal geen enkele WRM-instructeur zijn ontgaan dat het IBKI de eisen voor de WRM-bevoegdheid fors aanscherpt, maar slechts weinig instructeurs weten wat daar de reden voor is. Is dat het dalende slagingspercentage, of zijn het de aanbevelingen die Emile Roemer heeft gedaan in zijn rapport Van Rijles naar Rijonderwijs?
Onafhankelijk onderzoek door Consumentenbelang maakt duidelijk dat beide bovengenoemde argumenten feitelijk geen reden kunnen zijn om de lat hoger te leggen. Waarom?
Laten we beginnen met het veelbesproken en veelvuldig geciteerde onderzoeksrapport dat Emile Roemer schreef in opdracht van de toenmalige minister van Infrastructuur en Waterstaat, Cora van Nieuwenhuizen. Nergens in dat rapport staat een kritische noot over de rol van het CBR op slechte slagingspercentages op het moment dat het onderzoek werd uitgevoerd, terwijl iedere WRM instructeur weet dat het beleid en de chaos bij het CBR in de voorbije decennia van grote invloed zijn (geweest) op het functioneren van rijopleiders.
Zo slaagde het CBR er in 2019 niet in om jongeren, die klaar waren voor het theorie-examen, binnen de wettelijk vastgestelde termijn een theorie-examenplek aan te bieden. Leerlingen van traditionele rijopleiders moesten tot wel tien weken wachten, terwijl TurboTheorie, NU-Theorie en anderen door rechtstreekse contacten met de afdeling Planning van het CBR op kortere termijn over voldoende capaciteit beschikten. Daar konden klanten van gewone rijscholen soms binnen een week wel een theorie-examen reserveren door zo’n 150 euro te betalen voor een eendaagse opleiding, inclusief examenplek bij het CBR. Er stroomden via die route (of U-bocht constructie) bij het CBR miljoenen euro’s binnen vanuit die eendags-opleiders, terwijl examinatoren destijds beweerden dat die eendaagse-theorie-route rampzalig was…
Hetzelfde gebeurde in de bijna vijf jaren na corona, maar dan met de wachttijden voor het eerste praktijkexamen. Wachttijden liepen op tot wel 26 weken!
Alsof het falende CBR-beleid geen gevolgen had voor de branche. Alsof het feit dat traditionele opleiders niet langer nodig zijn voor de theoretische kennis en alsof een verplichte pauze van maanden tot een halfjaar in de rijopleiding geen weerslag heeft gehad op de slagingskans bij het eerste praktijkexamen en dus op het slagingspercentage.
Hoe dan ook: uit welk onderzoek concludeert het IBKI dat het noodzakelijk is om de WRM-eisen flink op te hogen? Waarom zouden WRM-eisen die in de voorbije 10, 20 en 30 jaar voldeden, nu moeten worden bijgesteld? Waarom is het IBKI plotseling geïnteresseerd in de manier waarop WRM-instructeurs invulling geven aan hun vak?
Ik denk dat het IBKI bang werd dat het CBR hard op weg was om de betrokkenheid van het IBKI bij categorie B overbodig te maken.
Datzelfde IBKI stond namelijk jarenlang toe dat het CBR de praktijkbijscholing voor RIS-gecertificeerde instructeurs en de eigen examinatoren volledig in eigen beheer uitvoerde. Het IBKI trok niet aan de bel toen een klokkenluider in 2022 aan de bel trok om te melden dat CBR-examinatoren bij de vijfjaarlijkse WRM-beoordeling geen echte leerling achter het stuur lieten plaatsnemen, maar een CBR-collega. Dat de slager het eigen vlees keurde!
Uiteindelijk werd er op last van het ministerie in 2025 besloten dat het CBR de door het CBR toegeëigende IBKI-taak per 1 januari 2026 terug moest geven aan het IBKI. Ik denk dat het IBKI in ruil daarvoor nieuwe, strengere regelgeving hanteert, enquêtes houdt en uiteindelijk data (informatie) doorlevert aan het CBR, zodat het CBR alsnog maximale invloed kan uitoefenen binnen de branche om het eigen falen richting de politiek en de Tweede Kamer te verhullen.
[tekst gaat door onder afbeelding]

De komende jaren zal blijken of de interesse en drang tot strengere regelgeving voor WRM-instructeurs vanuit het IBKI gebaseerd zijn op feiten, of slechts voortkomen uit de wens van het ministerie en het CBR om maximale invloed te krijgen op de rijschoolwereld als het vanuit de overheid weer eens misgaat.
Topambtenaren en de directie van het CBR laten geen kans onbenut om de problemen, vooral met de examencapaciteit, in de schoenen te schuiven van rijscholen en WRM-instructeurs.

