De Vereniging Consumentenbelang Autorijbewijs (VCBA) adviseert rijscholen en WRM-instructeurs om voorlopig terughoudend te zijn met het investeren van circa € 1.500 in de verplichte bijscholing voor CRIF (voorheen RIS). Volgens de belangenorganisatie is het allerminst zeker dat de plannen voor het Nationaal Leerplan Rijopleiding B de politieke besluitvorming in de Tweede Kamer zullen doorstaan.
De VCBA stelt dat vanuit de top van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, met name het Directoraat-Generaal Mobiliteit (DGMo), een beeld wordt geschetst van de noodzaak en het nut van het Nationaal Leerplan dat volgens de organisatie niet overeenkomt met de werkelijkheid.
“Wij hebben contact met meerdere Tweede Kamerleden en wijzen hen erop dat de onderbouwing vanuit DGMo een onjuist beeld geeft van de noodzaak en het nut van deze vergaande overheidsbemoeienis met de rijschoolbranche”, aldus de VCBA.
Daarnaast wordt achter de schermen gewerkt aan de vorming van een nieuw verbond of een vakbond waarin minimaal enkele honderden WRM-instructeurs hun krachten willen bundelen. Het doel is om gezamenlijk juridische stappen te kunnen zetten bij de Raad van State.
Daarbij speelt onder meer het rapport van voormalig SP-voorman Emile Roemer een rol. Volgens de initiatiefnemers wijkt het huidige Nationaal Leerplan op belangrijke onderdelen ernstig af van de aanbevelingen die Roemer eerder heeft gedaan.
Geen onnodige investeringen
De VCBA vindt het onverstandig wanneer rijscholen en instructeurs nu al aanzienlijke bedragen uitgeven aan bijscholing voor een systeem waarvan de wettelijke en politieke toekomst nog niet vaststaat.
De waarschuwing is nadrukkelijk niet bedoeld om instructeurs tegen bijscholing te laten kiezen, maar om te voorkomen dat zij straks met aanzienlijke kosten worden geconfronteerd voor een overheidsplan waarvan de invoering mogelijk nog ter discussie komt te staan.
Het advies van de VCBA is daarom helder: wacht voorlopig af voordat je € 1.500 investeert. Eerst moet duidelijk worden of het Nationaal Leerplan daadwerkelijk op voldoende politieke steun kan rekenen en juridisch standhoudt.






